Welke activiteiten en kosten komen voor subsidie in aanmerking?
3.11 Bij de aanvraag dient aangegeven te worden of andere subsidie-
       mogelijkheden zijn verkregen of zijn aangevraagd  en/of er sprake is van
       een eigen bijdrage van de deelnemer(s). Het SFKV houdt hier rekening
       mee bij het vaststellen van de hoogte van de subsidie.

3.12 Bij de aanvraag dient een gespecificeerde begroting van de kosten van
       de scholing te worden meegezonden uitgesplitst naar directe en
       indirecte scholingskosten en mogelijke verblijf-, reis- en overnachtings-
       kosten.

3.13 De instelling/werknemer gaat er tegelijk met het krijgen van een
       subsidietoekenning van het SFKV mee akkoord dat namens het SFKV
       inzage gevraagd kan worden in de relevante inhoudelijke en financiële
       stukken binnen de instelling teneinde de juistheid van opgave en de
       verantwoording te kunnen vaststellen.

3.14 De kosten van het inhuren van specifieke scholingsdeskundigheid bij
       een andere instelling, kan voor subsidiëring in aanmerking komen.
       Voorwaarde daartoe is dat het enkel de directe scholingskosten betreft
       (geen vervangings-, coördinatie-, organisatie en/of voorbereidingskosten
       en bemiddelingskosten). Een en ander dient onderbouwd te zijn met een
       factuur met een toelichting waarin de specifieke deskundigheid bij een
       groepsgerichte scholingsaanpak van docenten wordt onderbouwd.

Samenwerkingsverband
  
3.15 Voor het aanvragen van een extra vergoeding van directe scholings-
       kosten van de bedrijfsschool is met ingang van 1-1-2009 maximaal 70%
       van de directe scholingskosten subsidiabel op jaarbasis tot een
       maximum subsidie van € 25.000 voor de activiteiten die van toepassing
       zijn op CAO-KE instellingen (stimuleringssubsidie). Voor de overige
       directe scholingskosten kan reguliere subsidie worden aangevraagd (zie
       ook 1.5 en verder). Deze regeling is maximaal drie jaar van kracht per
       1-1-2009.

3.16. Middels het overleggen van een scholingsplan door de bedrijfsschool is
        een voorschot aan te vragen op deze subsidie.

3.17. Bij een aanvraag van een samenwerkingsverband is het niet nood-
        zakelijk dat alle betrokken werknemers langer dan 6 maanden in dienst
        zijn

3.18 De subsidie wordt alleen verleent ten behoeve van instellingen uit de
       Kunsteducatie van het samenwerkingsverband die de CAO KE hanteren
       en aan de premieplicht hebben voldaan. Instellingen die (deels) vallen
       onder de CAR-UWO en niet zijn aangesloten bij het SFKV kunnen in de
       periode 2009 t/m 2011 wellicht gebruik maken van de scholingsregeling
       Kunsteducatie van het A+O fonds Gemeenten (www.aeno.nl rubriek
       subsidies).

3.19. Alleen de directe scholingskosten die proportioneel gemaakt zijn voor
        de KE-instellingen kunnen in rekening worden gebracht (geen overhead
        en indirecte kosten).

3.20 Daar waar de aanvraag ook activiteiten voor deelnemers en/of een
       instelling betreft die niet de CAO KE volgen, geldt dat pro rato, op basis
       van het aantal deelnemers van KE-instellingen/ aangesloten CAR UWO
       instellingen die afdrachten doen aan het fonds, kosten bij het SFKV in
       rekening kunnen worden gebracht.

3.21 De feitelijke samenwerkingsaanvraag kan alleen door een niet KE
       instelling worden gedaan als de deelnemende instellingen daarmee
       instemmen (handtekeningenlijst).
De volledige tekst van de regeling vindt u hier.
 
Scholingssubsidie
Sluit venster